Harkje

Het is de derde lente. De derde lente dat ik in de moestuin van mijn vader de lente begroet. Een moestuin die ik heb geërfd nog vóór mijn vader gestorven was.

De eerste lente koesterde ik nog de vage hoop dat het tijdelijk was — dat ik slechts een soort tuinbewaarder was totdat de echte eigenaar op een dag zou terugkeren om de draad weer op te pakken.

De tweede lente wist ik dat hij nooit meer terug zou keren. Dus gooide ik de indeling helemaal om en ruimde een hoop verstofte en verstrengelde netten op, alsof ik daarmee ook de tijd kon ontwarren.

Nu is de derde lente aangebroken, en ik besef: ik heb zijn plaats echt ingenomen. De moestuin is niet langer die van mijn vader — hij is de mijne geworden. De paadjes lopen anders, de laatste zaden uit zijn voorraad zijn opgebruikt, de serre is opgeruimd.

Op een grijze zaterdagmiddag zit ik in zijn glazen huisje in een hoek van de moestuin, terwijl de regen zachtjes tegen het glas tikt. Ik mijmer over alle lentes die voorbij zijn gevlogen. Lentes waarin ik naast mijn vader in de tuin scharrelde, lentes waarin ik mijn eigen stukje tuin kreeg toegewezen, lentes waarin we plantgoed uitwisselden, lentes waarin we samen enthousiast het tuinseizoen begroetten...

Toch is niet alles veranderd. Ik gebruik nog steeds het oude harkje. En het metserskoord van mijn grootvader bewijst nog altijd zijn waarde bij het uitzetten van de zaairijtjes.

Het wordt altijd weer lente.

Vorige
Vorige

Het dorp

Volgende
Volgende

Bloggen voor het plezier